Monotherapie met een leukotrieenreceptorantagonist (LTRA) zoals montelukast is minder werkzaam dan monotherapie met ICS. Dit geldt ook voor toevoeging van een LTRA aan een ICS in vergelijking met toevoeging van een LWBM aan een ICS.
LTRA's hebben ontstekingsremmende eigenschappen, die additief en complementair zijn aan de effecten van inhalatiecorticosteroïden. Dit kan verklaard worden doordat ze ontstekingscomponenten remmen die niet door corticosteroïden geremd worden en doordat ze - in tegenstelling tot corticosteroïden - ook andere delen van de bronchiaalboom bereiken, zoals de bovenste en kleine luchtwegen.
Verder hebben ze in lichte mate luchtwegverwijdende eigenschappen, die additief zijn gebleken in combinatie met kortwerkende bètamimetica. Tenslotte hebben deze middelen ook bronchoprotectieve eigenschappen d.w.z. dat ze de prikkelbaarheid van de luchtwegen verlagen en bescherming bieden tegen luchtwegvernauwende prikkels, zoals allergenen, inspanning etc.
Bijwerkingen zijn regelmatig (> 1/10: hoofdpijn, buikpijn en soms (> 1/100 en < 1/10) vermoeidheid, koorts, maagdarmstoornissen, duizeligheid, neusverstopping en hoest.
In de NHG-Standaard is een bescheiden plaats ingeruimd voor leukotrieenantagonisten. Een LTRA is slechts geïndiceerd bij personen met persisterende lokale bijwerkingen van een ICS of met bijwerkingen van een LWBM.
| montelukast
| 5 en 10 mg
| dagdosis 10 mg oraal, vóór de nacht innemen
|