|
|
10. Overige middelen
Antibiotica
Antibiotica zijn bij astma slechts zelden geïndiceerd. De meeste exacerbaties door infecties worden veroorzaakt door virussen; lageluchtweginfecties door virussen of Mycoplasma pneumoniae.
Het klinisch beeld moet de leidraad zijn voor de beslissing of antibiotica gegeven worden. Hierbij kunnen hoge koorts, flink ziek-zijn, een bekende zeer slechte longfunctie en duidelijk gekleurd sputum betekenis hebben. Bedenk wel dat groen sputum op accumulatie van ontstekingscellen wijst en niet pathognomonisch is voor een bacteriële superinfectie.
Kinderen met bacteriële lageluchtweginfecties onderscheiden zich doordat ze flink ziek zijn en meestal hoge koorts hebben. Er kunnen tachypneu, intercostale intrekkingen en neusvleugelen bestaan. Auscultatoir kan plaatselijk bronchiaal of versterkt ademgeruis gehoord worden.
'Vol zitten' of weken lang flink hoesten wijst op toename van bronchiale prikkelbaarheid.
Voor het zeldzame geval dat antibiotica geïndiceerd zijn, volstaat amoxicilline 3 dd 375-500 mg. Macroliden als azitromycine of erytromycine komen aan bod bij een verdenking op Mycoplasma pneumoniae, die veel voorkomt op de schoolleeftijd.
Cromoglicaten
Cromoglicinezuur - in de vorige standaard (2001) nog aanbevolen in stap 2 bij allergisch astma - wordt niet meer geadviseerd, omdat het bij astma minder werkzaam is dan inhalatiecorticosteroïden. Omdat vergelijkend onderzoek tussen nedocromil en inhalatiecorticosteroïden bij volwassenen met astma ontbreekt, wordt nedocromil in de Standaard van 2007 niet aanbevolen.
Immunotherapie
Sublinguale immunotherapie wordt niet aanbevolen. Overige tweedelijns behandelingsmogelijkheden voor bepaalde subgroepen patiënten zijn subcutane immunotherapie bij patiënten met een monoallergie en subcutane toediening van omalizumab, een monoklonaal antilichaam tegen IgE bij ernstig astma.
|